Klachten over CityKliniek stromen binnen

Bij de politie Haaglanden zijn tot nu toe meer dan 80 aangiften binnengekomen tegen de CityKliniek die ruim een week geleden gesloten werd, omdat de situatie er onveilig zou zijn voor patiënten.

Vooral de hygiëne in de kliniek voor plastische chirurgie liet te wensen over. Bij de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie kwamen al veel meldingen binnen over verkeerd geplaatste borstprotheses en infecties die na de ingrepen ontstonden.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg besloot de kliniek voorlopig te sluiten en legde de dienstdoende chirurg, gynaecoloog Rock Goerdin, een werkverbod op.

De inspectie en de politie Haaglanden riepen vrouwen op om aangifte te doen. Inmiddels hebben ruim 80 vrouwen dat gedaan. De politie zal samen met het Openbaar Ministerie bekijken of de klagers aangifte kunnen doen van bijvoorbeeld mishandeling, of van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Bron: AD

Lees ook:Inspectie sluit Haagse CityKliniek na klachten
Lees ook:Inspectie treft wantoestanden aan in Haagse privé-kliniek
Lees ook:Gynaecoloog Rock Goerdin tweemaal eerder veroordeeld
Lees ook:Opnieuw plastisch chirurg onder vuur
Lees ook:Is geschorste gynaecoloog Rock Goerdin nog actief?

1 Reacties // Reageer

One thought on “Klachten over CityKliniek stromen binnen

  1. citykliniek

    De oorspronkelijke bijlage downloaden

    Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheids-

    zorg te ‘s-Gravenhage

    ===================================
    Kenmerk: 20091293/2009 T 116

    Zitting: 16 maart 2010

    AANTEKENINGEN

    Mr. I.H.M. Baas

    Namens de heer R.R. Goerdin, wonende te Vlaardingen

    Inleiding

    Goerdin is van huis uit gynaecoloog. Vanaf 2000 is hij zich gaan toeleggen op esthetische chirurgie, waartoe hij uitgebreide scholing heeft genoten op de terreinen waarop hij werkzaam is. Om meteen maar een groot misverstand weg te nemen: gynaecologie een zgn. snijdend specialisme en gynaecologen zijn volledig bevoegd en bekwaam tot het verrichten van esthetisch chirurgische ingrepen1.
    Vanaf ultimo 2004 is Goerdin werkzaam geweest in de Wellness Kliniek te Genk, België, waar hij zo’n 1000 patiënten per jaar behandelde, waarvan 60% uit Nederland afkomstig. Noemenswaardige problemen hebben zich daar niet voorgedaan, in tegendeel, Goerdin kwam uit de frequent uitgevoerde patiënt tevredenheidsonderzoeken altijd zeer goed tevoorschijn. Met name om de Nederlandse patiënten beter van dienst te kunnen zijn heeft Goerdin besloten een kliniek in Den Haag te openen. Vanaf de opening in april 2008 verrichtte hij daar zo’n 20 bvg’s per maand en 3 à 4 andersoortige behandelingen.
    Op 25 juni 2009 heeft de Inspectie een inval in de kliniek gedaan met de mededeling dat er meldingen van plastisch chirurgen waren geweest over ernstige complicaties na borstvergrotende behandelingen in de CityKliniek. Over de inhoud van die meldingen zijn verder geen mededelingen gedaan; Goerdin is daarover volledig in het ongewisse gelaten. Pas na de indiening van de klacht, 4 maanden later, is meer duidelijk geworden.
    Behandeling meldingen

    De Nederlandse Vereniging van Plastisch Chirurgen (NVPC) blijkt zich al bij brief van 25 mei 2009 bij de Inspectie te hebben gemeld2. In die brief wordt gesteld dat het bestuur van de NVPC de daaraan voorafgaande maanden verscheidene meldingen had gekregen van ernstige wondinfecties na het plaatsen van borstimplantaten in de CityKliniek, gevolgd door de mededeling dat de plastisch chirurgen die geconfronteerd werden met deze patiënten daar reeds melding van hadden gemaakt bij de Inspectie of dat op korte termijn zouden doen.
    Uit de bij de klacht gevoegde informatie heeft Goerdin moeten opmaken dat al in februari 2009 een pseudomonas bacterie is aangetroffen bij een voormalig patiënt van hem (dr. Hermans op 16 februari 2009 inzake melding 6- 38). Nu kan een dergelijk infectie verschillende oorzaken hebben, en het hoeft ook beslist niet te betekenen dat er verwijtbaar handelen aan de orde is. Maar in ieder geval geeft een dergelijke bevinding aanleiding tot nader onderzoek naar de bron, met name in de kliniek waar de ingreep heeft plaatsgevonden.
    Artikel 4a van de KWZ verplicht zorgaanbieders van dit soort calamiteiten direct melding te maken bij de Inspectie. De normale gang van zaken onder artsen-collega’s is dan dat de arts die het betreft telefonisch wordt ingeseind zodat die de melding kan doen. Dat kan hij ook rustig doen omdat het doel van de melding – zo is in de memorie van toelichting bij genoemde wetsbepaling te lezen – “er niet in is gelegen om een persoon aan de schandpaal te nagelen, maar om het disfunctioneren van het kwaliteitssysteem op te sporen teneinde dat te kunnen verbeteren” (Kamerstukken II 2001/02, 28489, nr. 3, p. 7).
    Geheel overeenkomstig dat uitgangspunt schrijft de Leidraad Meldingen van de IGZ3 voor dat de zorgverlener eerst zelf in de gelegenheid moet worden gesteld de kwestie te onderzoeken en maatregelen te nemen (artikel 11 Leidraad Meldingen), in gevallen waarin de melding niet van de zorgaanbieder zelf afkomstig is voorafgegaan door de mededeling dat er een melding is gedaan.
    Het is ongelofelijk maar het is waar: Goerdin is niet op de hoogte gesteld van de door zijn collega’s geconstateerde complicaties, zij hebben alleen hun beroepsorganisatie willen inlichten. Ook de NVPC heeft aanvankelijk geen aanleiding gezien om Goerdin en/of de Inspectie te informeren. De vraag rijst wat de drijfveren zijn geweest achter deze communicatieve onwil en welke belangen het zijn geweest die voorrang hebben gekregen boven het belang van de patiëntveiligheid: door het stilzwijgen zijn immers grote potentiële gezondheidsrisico’s voor patiënten van de CityKliniek voor lief genomen, maandenlang. Over die drijfveren heeft NVPC nooit geheimzinnig gedaan: er bestaat een brede, uitgesproken animositeit tussen plastisch chirurgen/leden van de NVPC en andere artsen die zich op dit terrein begeven: de NVPC voert een actieve politieke lobby voor striktere regelgeving rond esthetisch chirurgische ingrepen en uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen voor plastisch chirurgen4. De indruk bestaat dat de bevindingen bij patiënten van de CityKliniek zijn aangegrepen ten behoeve van de politieke lobby van NVPC.
    Uit de brief van 25 mei 2009 blijkt overigens dat zich daarvoor al individuele plastisch chirurgen bij de Inspectie hadden gemeld en de vraag rijst waarom daarmee niets is gedaan. De Inspectie gaf tijdens de zitting in de bezwaarprocedure desgevraagd te kennen dat dat niet kon omdat het om een anonieme melding zou zijn gegaan. Die mededeling is evenwel niet in lijn met het antwoord van de minister op kamervraag 4: hij spreekt over een “melding, die vervolgens niet nader onderzocht kon worden door de IGZ omdat de melder de melding introk” waarna de Inspectie zou zijn gestart met een algemeen onderzoek naar de instelling. Artikel 2 van de Leidraad meldingen schrijft voor dat indien de Inspectie anders dan door een melding kennis krijgt van omstandigheden die onderwerp van een melding kunnen zijn, de regeling zo mogelijk ook op de behandeling daarvan overeenkomstig wordt toegepast. Niets stond dus aan onmiddellijke actie in de weg en de tweede grote vraag is waarom de Inspectie zich niet aanstonds bij Goerdin heeft gemeld. In ieder geval is duidelijk dat ook de Inspectie ernstig in gebreke is gebleven.
    Het hoeft nauwelijks betoog dat de handelwijze van de NVPC en de Inspectie volstrekt onverantwoord is uit oogpunt van patiëntveiligheid. Ik zie ook niet wat er tegen zou zijn geweest om de kwestie volgens de gebruikelijke regels aan te pakken. Als Goerdin al bij de eerste melding van infectie/pseudomonas was ingelicht zou overleg met de Inspectie hebben kunnen plaatsvinden over aard en oorzaak van de gesignaleerde complicaties. Goerdin had hangende dat onderzoek de gelegenheid kunnen worden geboden om de Kliniek tijdelijk op vrijwillige basis te sluiten, zoals dat bijvoorbeeld ook kort daarvoor bij de Silhouette Kliniek het geval was geweest. Voor Goedin was dat zeker bespreekbaar geweest, hij opereerde al niet meer in de CityKliniek omdat hij op het punt stond een ingrijpende verbouwing te realiseren die onder meer voorzag in een operatiekamer klasse I. Verder had natuurlijk kunnen worden onderzocht of de geconstateerde complicaties kunnen worden teruggevoerd op klachtwaardige zorgverlening door Goerdin persoonlijk; even vanzelfsprekend is dat Goerdin in dat geval de gelegenheid zou zijn geboden om daarop te reageren.

    De klacht

    Zo is het helaas niet gegaan. Hoewel de NVPC zelf maandenlang had stilgezeten vond zij dat de Inspectie na ontvangst van de brief van 25 mei 2009 meteen aan de slag moest. Toen dat naar de smaak van mevrouw Matthijsen, voorzitter van de NVPC, niet snel genoeg ging is zij zich eind juni 2009 bij kamerlid Henk van Gerven van de SP gaan beklagen (productie 39)5. Dat vormde aanleiding tot kamervragen (productie 40)6, een hoop publicitaire ophef en kort daarop is de Inspectie in actie gekomen: op 25 juni 2009 heeft de Inspectie een inval gedaan in de CityKliniek waarna aanstonds een sluitingsbevel is uitgevaardigd; gevolgd door een grootschalige mediacampagne om patiënten van Goerdin te bewegen zich te melden. Dat lukte aanvankelijk maar slecht7, maar na herhaalde en dwingende oproepen via politie en justitie hebben zich uiteindelijk iets minder dan 60 patiënten gemeld, die de Inspectie hebben gemachtigd hun medisch dossier bij Goerdin op te vragen, waarvan 33 met betrekking tot behandelingen in de CityKliniek.

    Vijf maanden na de melding, op 20 oktober 2009 is vervolgens de onderhavige klacht ingediend, onder overlegging van genoemde meldingen. Goerdin had stellig verwacht in de klacht te kunnen lezen wat hem ten aanzien van de behandeling van de individuele melders nu precies werd verweten, maar dat viel tegen: niet één melding is uitgewerkt in een concrete klacht over gebrekkige zorgverlening in medisch-technische zin. Ook medische onderbouwing van de in de meldingen geuite kritiek bleek vrijwel alle gevallen te ontbreken. Dat geldt zelfs voor meldingen van plastisch chirurgen die de aanleiding vormden voor de inval van de Inspectie. Niet goed denkbaar is dat op basis van deze meldingen en de daarbij gevoegde informatie de conclusie zal kunnen worden getrokken dat de gesignaleerde complicaties het gevolg zijn geweest van tekortschietend medisch-technisch handelen.
    Waar gaat de klacht dan wel over? Antwoord: over de in het bezoekrapport van 25 juni 2009 geformuleerde algemene kritiek met betrekking tot de omstandigheden waaronder de zorg in de CityKliniek werd geleverd; de klachtonderdelen zijn daaraan grotendeels identiek. De meldingen zijn met name gebruikt voor de onderbouwing van de klachtonderdelen E en F betreffende de pre-, en postoperatieve zorg, de nazorg en de dossiervoering. Opvallend is echter dat deze onderbouwing buitengewoon summier is: de Inspectie volstaat met redeneringen als “uit de meldingen blijkt dat” terwijl slechts in een handvol gevallen naar een concrete melding wordt verwezen. Verder stelt de Inspectie dat de informatie uit de medische dossiers is vergeleken met die uit de meldingen. Uit de onderbouwing van de klacht blijkt echter in het geheel niet dat een dergelijke analyse heeft plaatsgevonden.
    De feitelijke onderbouwing van de klacht door middel van de informatie afkomstig van de melders is dus ondermaats te noemen, en waar dat niet het geval is meent Goerdin te hebben aangetoond dat hetgeen in de meldingen wordt gesteld veelal niet te rijmen is met de notities in de medische dossiers.
    De vraag rijst waarop de feitelijke onderbouwing van de klacht dan wel is gebaseerd en het antwoord laat zich raden: op informatie van de NVPC en op de bevindingen van de Inspectie zelf: dat zijn de twee peilers die de klacht moeten dragen. Ik meen dat deze bronnen niet als onverdacht kunnen worden aangemerkt alleen al gelet op de geschetste dubieuze gang van zaken met betrekking tot de meldingen en dat er dan ook alle reden is voor een kritische beschouwing van die informatie.
    Informatie NVPC

    De van het NVPC verkregen informatie is leidend geweest voor de klachtenonderdelen A, C en D. Klachtonderdeel A houdt in dat Goerdin zou hebben geopereerd in ruimten die daartoe niet geschikt zijn: met name wordt Goerdin verweten dat borstvergrotende operaties niet in de operatiekamer klasse I zouden zijn verricht. Voor dat standpunt wordt aangehaakt bij een standpunt van de NVPC dat pas twee (!) maanden oud bleek te zijn. Goerdin heeft aanstonds na kennisneming van dit standpunt offertes aangevraagd om een ingrijpende verbouwing te realiseren die onder meer voorzag in een operatiekamer klasse I, hij heeft de beslissing genomen om geen borstvergrotende operaties meer in de CityKliniek uit te voeren; wat valt hem in dit opzicht dan verder nog te verwijten?
    Blijkens onderdelen C en D van de klacht worden de door Goerdin gebruikte incisie, inbreng, hecht- en sedatiemethoden inferieur geoordeeld. Voor dat oordeel is de Inspectie te rade gegaan bij de NVPC die de gestelde vragen door prof. Van der Leij heeft laten beantwoorden. Diens oordeel over de operatietechnieken is met name gebaseerd op de stelling dat Goerdin door de tepel heen zou snijden, hetgeen beslist niet het geval is. Enig bewijs voor die stelling ontbreekt.
    Saillant: in de begeleidende brief van de NVPC aan de Inspectie wordt met zoveel woorden wordt aangedrongen op “aanpassing van de wetgeving zodat deze misstanden kunnen worden voorkomen”8. Ook de beantwoording van deze vragen wordt dus geplaatst in het teken van de politieke lobby van de NVPC en de vraag rijst in hoeverre dat van invloed is geweest op de berichtgeving..

    Informatie Inspectie

    Dan de bevindingen van de Inspectie zoals die zijn neergelegd in het bezoekrapport en in de daaropvolgende gespreksverslagen met verschillende betrokkenen, waaronder Goerdin zelf. Deze zijn met name gebruikt voor de onderbouwing van de klachtonderdelen B (infectie preventie), G (kwaliteit genees- en hulpmiddelen) en I (inzicht). Veel van de feitelijke waarnemingen zijn door Goerdin in zijn verweerschrift bestreden in reactie waarop de Inspectie heeft aangevoerd dat de gestelde waarnemingen door meerdere inspecteurs konden worden bevestigd.
    Vooropgesteld: Goerdin wil niet de indruk wekken dat hij van oordeel zou zijn dat in de CityKliniek niets te verbeteren valt. Een bijkomend gevolg van de door de Inspectie gekozen strategie is helaas, dat de nadruk is komen te liggen op de handhaving van over en weer ingenomen standpunten, terwijl het voor Goerdin helemaal geen punt was geweest om zich verregaand te conformeren aan de wensen en inzichten van de Inspectie. Ten onrechte (dan ook) wordt Goerdin verweten dat hij geen inzicht heeft getoond. Zoals gememoreerd is Goerdin bij gelegenheid van de inval ieder zicht onthouden op wat hem nu precies werd verweten en reeds op grond daarvan kan hem bezwaarlijk kwalijk worden genomen dat hij geen inzicht heeft getoond. Maar afgezien daarvan: Goerdin heeft wel degelijk aangegeven in te zien dat de vastlegging van in de CityKliniek gevolgde procedures en werkwijzen (nog) niet zo was als die idealiter zou moeten zijn, maar dat hij actief doende was om dat te bereiken onder meer door het verwerven van een volwaardig lidmaatschap van de verlening ZKN met voldoening aan de in dat verband gestelde eisen9. Voor alle duidelijkheid: dit keurmerk kan niet op voorhand worden verkregen; pas na opening van de instelling kan het traject worden ingezet.
    Vanaf het moment dat de dames en heren van de Inspectie op 25 juni 2009 de CityKliniek zijn binnengegaan heeft Goerdin het gevoel gehad dat het oordeel over zijn kwaliteiten was geveld en dat het Inspectiebezoek er slechts toe diende om dat nader te adstrueren. Goerdin kon doen en zeggen wat hij wilde (dat hij bezig was met een ingrijpende verbouwing, dat hij al helemaal niet meer in de CityKliniek opereerde, dat hij bereid was vrijwillig alles on-hold te zetten etc.) het legde allemaal niet het geringste gewicht in de schaal, in tegendeel, deze tegenwerpingen werden aanstonds aangemerkt als een bewijs van het gebrek aan inzicht in eigen falen. En dat allemaal in een tijdsbestek van een paar uur!
    Ook de nadien gevoerd gesprekken zijn in een ronduit intimiderende vooringenomen sfeer verlopen, met als onthutsend dieptepunt de presentatie van de mama navigator op 3 augustus 2009, zoals in het verweerschrift beschreven10.
    Daarbij komt dat de procedurele positie van Goerdin stelselmatig is ondergraven door de minimale gelegenheid die hem telkens is geboden om op stukken van de Inspectie te reageren. Ik kom daarop nog terug. Uit alles blijkt dat de Inspectie totaal niet geïnteresseerd was in de mening van Goerdin; sprekend in dit verband is de reactie van de Inspectie na ontvangst van het verweerschrift in de tuchtzaak; nog voordat de Inspectie de moeite had genomen om dit op merites te bezien werd aan de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege verzocht om uitstel van de zitting, omdat men meer tijd moest hebben om “het verweerschrift te weerleggen” (faxbericht van 10 december 2009).
    Naar mijn mening heeft het optreden van de Inspectie in bepaalde opzichten zelfs kenmerken van een regelrechte hetze. Ik doel daarmee met name op:
    * de publicatie van de privégegevens van Goerdin en zijn familie op internet;
    * het inseinen van de General Medical Council in Engeland, op basis van niet-geverifieerde en
    volstrekt onjuiste informatie over een vlucht uit Engeland wegens malfunctioneren (productie 41);
    en
    * de tendentieuze manier waarop de Inspectie in deze zaak de publiciteit heeft gezocht. Ik zie bij
    voorbeeld in het geheel niet in waarom het noodzakelijk was om via politie en justitie een oproep te
    doen aan “gedupeerde patiënten”; dit in de wetenschap dat het hier gaat om een bij uitstek kwets-
    bare patiëntengroep bij wie alleen al zo’n oproep twijfel doet ontstaan over de kwaliteit van het
    medisch handelen.
    Er is dunkt mij alle aanleiding vraagtekens te zetten bij de betrouwbaarheid van de berichtgeving van een instantie die zozeer blijk heeft gegeven van vooringenomenheid en die door haar optreden (of liever gezegd: nalatigheid) op zijn minst de schijn heeft gewekt dat bij de behandeling van deze kwestie oneigenlijke motieven mede een rol hebben gespeeld.
    Nagekomen stukken IGZ

    Dat brengt mij bij de bespreking van de aanzienlijke hoeveelheid stukken die de Inspectie op de valreep (rond 1 maart jl.) alsnog heeft geproduceerd. De klacht is geformuleerd na een voorbereidingstijd van bijna 5 maanden na kennisneming van de melding van de NVPC en op verzoek van de Inspectie als spoedprocedure behandeld. Nadat Goerdin bij de gratie uw college twee weken extra tijd had gekregen (in totaal 4 weken) voor het prepareren van een verweer gaf de Inspectie aanstonds te kennen dat de resterende voorbereidingstijd tot de zitting (5 weken) voor haar onvoldoende was en is de behandeling met 2,5 maanden uitgesteld. Amper twee weken voor de nieuwe zitting, 3 maanden na ontvangst van de het verweerschrift, is er opnieuw een grote hoeveelheid informatie geproduceerd. Daarmee heeft deze klachtzaak ook na indiening van de klacht de gedaante van een hinkend gedrocht: de Inspectie neemt, met alle beschikbare mankracht, telkens maanden de tijd om alle informatie te verwerken die in overwegende mate het resultaat is van een zelf gecreëerde hetze, terwijl Goerdin telkens luttele weken krijgt om daarop te reageren.
    Gelet op de grote hoeveelheid laatstelijk geproduceerde informatie is het voor Goerdin volstrekt onmogelijk geweest om zich adequaat op deze zitting voor te bereiden. Goerdin is van mening dat in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd dat de zaak nu weer wordt verdaagd; mede gelet op de door de Inspectie genomen voorlopige maatregelen rust op haar een zware verantwoordelijkheid om de onderhavige klacht met de meeste spoed in te dienen en aanstonds naar behoren te onderbouwen. Dat dat kennelijk niet is gebeurd dient voor rekening van de Inspectie te blijven en ik meen dan ook dat de klacht dient te worden behandeld op basis van het klaagschrift van 20 oktober 2009 en het verweerschrift van 1 december 2009, onder terzijdelegging van de thans nog geproduceerde informatie.

    Hierna volgt niettemin een aantal opmerkingen naar aanleiding van de stukken die zijn geproduceerd; zij hebben een voorlopig en algemeen karakter en worden gemaakt onder algemene betwisting van de juistheid van de (nadere) stellingen van de Inspectie.
    Reactie op aanvullende informatie bij meldingen d.d. 25 februari 2010

    Goerdin leidt uit deze stukken af dat de Inspectie kennelijk aanvullende informatie heeft gevraagd aan de melders waarvan er 31 hebben gereageerd. De vraagbrief zelf wordt niet overgelegd maar bevindt zich toevalligerwijs bij de door één van de melders teruggezonden stukken.
    Bij bestudering blijkt dat in vier gevallen (6-06, 17, 19 en 44) door de behandeld plastisch chirurg melding gemaakt wordt van een incisie door tepel en/of tepelhof. Ook deze bevindingen worden echter niet nader geadstrueerd en Goerdin heeft sterk de indruk dat geen onderscheid is gemaakt tussen de incisie door de tepel en een incisie door de tepelhof. Nogmaals: de door Goerdin gebruikte transareolaire techniek voorziet in een incisie door de tepelhof, niet in een incisie door de tepel zelf. Goerdin meent voor het overige genoegzaam te hebben aangetoond dat de door hem gebruikte technieken en methoden geenszins obsoleet zijn.
    Eveneens in vier gevallen (6-11, 47, 52 en 53 en een nieuw geval) wordt melding gemaakt van pseudomonas, naast de reeds bestaande gevallen zijn dat er dus in totaal 8. Duidelijk is in ieder geval dat het in alle gevallen gaat om ingrepen na 1 januari 2009. Herhaald zij dat het zeer betreurenswaardig is dat Goerdin deze informatie is onthouden en dus ook de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de bron en zo nodig adequate maatregelen te nemen.
    In nogal wat gevallen lijkt niet veel meer aan de hand te zijn dan een algemene ontevredenheid over resultaat. Voor alle duidelijkheid: op de arts rust een inspanningsverbintenis en niet mag worden verwacht dat een esthetisch chirurgische operatie een aan een ideaalbeeld beantwoordend resultaat zal hebben (zie bijvoorbeeld RTG Eindhoven 28 december 2009, O947, en CTG 23 juni 2005, 2004.044). De indruk bestaat dat deze melders zich mede hebben laten leiden door de berichtgeving in de media.
    Ook voor deze nieuwe informatie geldt hetgeen hiervoor al over de meldingen is gesteld, te weten:
    * dat er geen concrete klachten zijn geformuleerd over tekortschietend medisch handelen op indivi-
    dueel niveau (met uitzondering van de incisietechniek);
    * dat onduidelijk is en blijft ter adstructie van welke klachtonderdelen deze informatie zou moeten
    dienen en op grond waarvan.
    Goerdin kan zich tegen een dergelijke vrijblijvende presentatie van informatie niet naar behoren verweren en ik meen dan ook dat deze informatie ook daarom buiten beschouwing dient te blijven.
    Een opmerking tenslotte over de overgelegde brieven betreffende de foto’s: op de brief van 18 november 2009 is pas bij brief van 22 februari 2010 door de Inspectie gereageerd met een herhaald verzoek om overlegging van de foto’s. Goerdin blijft erbij dat het produceren van die foto’s op problemen stuit. Hij moest bovendien constateren dat de Inspectie melders heeft gevraagd of zij akkoord zijn gegaan met het maken van foto’s voor studiedoeleinden, waarop een aantal melders heeft geantwoord dat dat niet het geval zou zijn geweest. Goerdin moet dat betwisten, tot het maken van de foto’s is nimmer toestemming onthouden, maar wat daarvan zij, de reactie van deze melders geeft reden te meer om terughoudend te zijn met het verstrekken van de foto’s.
    Reactie op brief 1 maart 2010 (aanvullende informatie NVPC)

    Algemeen: uit de rapportage van dr. Matthijsen blijkt te meer dat geen sprake is van harde normen; op veel terreinen is discussie mogelijk.
    Ad 4, locale verdoving met sedatie: zie verweerschrift 63 t/m 68. Niet betwist is dat toediening van Midazolam door een ervaren arts kan gebeuren.
    Ad 6, incisiemethode: zie de illustratie op pagina 96 van het artikel in de Lancet, productie 25 verweerschrift: transareolaire incisie wordt beschreven als één van de geaccepteerde methoden.
    Ad 7, dual plane: dr. Mathijssen is van oordeel dat dit alleen mag met een inframammaire incisie maar deze mening wordt in het geheel niet onderbouwd.
    Ad 8 en 9, percentage infecties en complicaties: Goerdin stelt vast dat de door hem aangedragen publicaties op zich niet worden betwist; er bestaat geen discussie over een infectiepercentage van tenminste 2 tot 2,5 %. Verder bestaat er geen discussie over het hoge percentage andere complicaties waarvan tenminste 5 tot 15 % kapselcontractuur.
    Ad 11, hechtmethode: niet gesteld dat dit verboden is.
    Tenslotte: Richtlijn Borstvergroting van de NVPC nog niet gepubliceerd!
    Reactie op verweerschrift IGZ

    Ad handhaving

    Inderdaad uitvoeringsbesluit KWZ in 2005, is echter niet op website overheid.nl te vinden! Of sprake is van een instelling is daarentegen twijfelachtig: weliswaar waren aan de CityKliniek twee medisch beroepsbeoefenaren verbonden maar van nevenschikking was in de praktijk geen sprake. De partner van Goerdin, mevrouw Dekker fungeerde feitelijk als assistente, in een ondergeschikte rol dus. Zij heeft dat ook zo aan de Inspectie verteld (gespreksverslag van 24 juli 2009). Ook in het bezoekrapport wordt gesignaleerd dat Goerdin alle medische verantwoordelijkheid droeg. Dit zo zijnde mag feitelijk niet tot nevenschikking worden geconcludeerd en zou dat impliceren dat van een instelling in de zin van de KWZ geen sprake is.
    Goerdin handhaaft dat het gelet op de schaalgrootte hoe dan ook niet reëel zou zijn om alle voor ziekenhuizen geldende regelgeving op een dergelijke instelling van toepassing te verklaren.
    Ad infuusvloeistof

    Zoals gesteld bestaat twijfel aan de onbevangenheid van de waarnemingen van de Inspectie; die twijfel krijgt nieuwe voeding door hetgeen de Inspectie stelt met betrekking tot de infuusvloeistof. In het bezwaarschrift had Goerdin gesteld dat het door de Inspectie gesignaleerde risico zich realiter niet kan voordoen omdat Goerdin zich bedient van een zgn. peristaltische Kleinpump waardoor het risico op remograde fluxes van bloed en andere lichaamsproducten nihil is. In zijn commentaar daarop stelt prof. Van der Wal nu ineens dat in de CityKliniek één infuuszak zou worden gebruikt bij drie operaties verspreid over meerdere dagen. Dat laatste is beslist niet gezegd, is ook niet het geval en is ook niet in het bezoekrapport vermeld! Dit nieuwe – door de Inspectie kennelijke noodzakelijk geachte – element aan de onderbouwing komt geheel uit de lucht vallen.
    Ad geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en apparatuur, sterilisatie

    Goerdin blijft bij hetgeen hij op deze punten in zijn verweerschrift heeft gesteld. De kritiek van de Inspectie op deze onderdelen berust grotendeels op door de Inspectie gestelde maar door Goedin betwiste waarnemingen. Zo zijn genees- en hulpmiddelen naar gevoelen van Goerdin volstrekt logisch en ordelijk, namelijk naar merk, naam en soort, opgeslagen en volgens hem blijkt dat ook wel uit de overgelegde foto’s. Op zich terecht wordt door de Inspectie opgemerkt dat de WIP-Richtlijnen niet zaligmakend zijn en dat er ook andere wegen zijn om een veilige behandelomgeving te waarborgen. De door hem gevolgde feitelijke procedures boden die zekerheid, zij het dat Goerdin vooralsnog werkte met protocollen voor de Wellness Kliniek te België en dat deze nog niet specifiek op de CityKliniek waren toegesneden.

    Spreekuur

    Aan het eind van het verweerschrift wordt Goerdin nog tegengeworpen dat hij aan het einde van het inspectiebezoek de vraag stelde of er nog wel een spreekuur gehouden mocht worden, waardoor volgens de Inspectie duidelijk werd dat Goerdin de ernst van de tekortkoming toch niet inzag. Voor de goede orde: beoogd werd een aanspreekpunt in de CityKliniek te behouden voor doorverwijzing van patiënten e.d. als nuttige schakel in de nazorg van patiënten. Goerdin zag en ziet niet in wat daar verkeerd aan was.
    Slotopmerkingen

    Door de NVPC wordt striktere regelgeving rond de vestiging en het functioneren van privéklinieken bepleit en Goerdin heeft daar op zich begrip voor. Maar op dit moment is de situatie eenvoudigweg zo dat de regelgeving buitengewoon summier is. Een professionele standaard voor privéklinieken ontbreekt vooralsnog en hetzelfde geldt voor richtlijnen ter zake hygiëne en anesthesie. Voorts is het een feit dat de ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren voor privéklinieken nog in de kinderschoenen staat: het eerste rapport ter zake op basis van een inventariserend onderzoek is pas ultimo 2009 verschenen. De beperkte kenbaarheid van de normen voor privéklinieken behoort eveneens te worden meegewogen bij beoordeling van de klacht. Voorts is de vraag of de klacht ontvankelijk is voor zover de kritiek zich niet richt op individuele zorgverlening maar op de voorwaarden rond de zorg (artikel 47 lid 1).
    Samenvatting en conclusie

    Kort samengevat heeft hier zich het volgende voorgedaan:
    * de CityKliniek is gesloten na meldingen van ernstige complicaties na ingrepen in de CityKliniek,
    met name wondinfecties;
    * uit de geproduceerde medische informatie blijkt dat bij 8 patiënten van de CityKliniek pseudomonas
    infectie is geconstateerd;
    * of deze complicaties aan tekortschietend medisch handelen op patiëntenniveau kunnen worden
    teruggevoerd is onduidelijk gebleven;
    * in ieder geval is duidelijk dat eerder onderzoek naar de bron van een mogelijk steriliteits-
    defect complicaties had kunnen voorkomen;
    * bij haar handelwijze ter zake de problemen in de CityKliniek heeft de Inspectie van aanvang af
    blijk gegeven van vooringenomenheid ten aanzien van de oorzaak van de gemelde
    calamiteiten.
    Dat laatste brengt mij tot de meeste principiële stellingname in deze kwestie. Artikel 4a KWZ en in het verlengde daarvan de Leidraad Meldingen beogen niet alleen het belang van de patiëntveiligheid te dienen, zij dienen ook het belang van zorgverleners om te leren van fouten en het kwaliteitssysteem te kunnen verbeteren. De missie van de Inspectie ademt dezelfde gedachte: haar bijdrage aan verantwoorde zorg ten aanzien van zorgaanbieders is met name gelegen in advies, stimulans en pas in de laatste plaats dwang. Die gidsfunctie is hier geenszins waargemaakt. Door het doelbewust niet naleven van genoemde bepalingen door collega-beroepsbeoefenaren en de Inspectie en de nadien gevolgde procedurele strategie is op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust tekort is gedaan aan het recht van Goerdin op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Daarop kan maar één sanctie staan en ik denk ook dat dat het signaal is dat in dezen moet worden gegeven: niet-ontvankelijk verklaring van de Inspectie.
    Ik meen ook te hebben aangetoond dat een verantwoordelijke aanpak volgens de geldende richtlijnen geen enkel nadeel zou hebben opgeleverd, in tegendeel, er pleit eigenlijk niets voor de aanpak van de Inspectie in deze kwestie:

    * de patiëntveiligheid is nodeloos in gevaar gebracht;
    bijgevolg ook het aanzien van de Inspectie; die bovendien het gevaar loopt te worden aangesproken door patiënten die in de maanden voor de sluiting in de CityKliniek zijn behandeld;
    een overlegsituatie – desnoods onder tijdelijke vrijwillige sluiting van de kliniek – had vele betrokkenen een enorme tijds- en kosteninvestering gescheeld;
    een overlegsituatie had bovendien voorkomen dat de nadruk is komen te liggen op de handhaving van over en weer ingenomen standpunten, terwijl het voor Goerdin helemaal geen punt was geweest om zich verregaand te conformeren aan de wensen en inzichten van de Inspectie;
    er is een professionele carrière gebroken, nog voordat een onpartijdige rechter ook maar naar de zaak heeft kunnen kijken – feitelijk heeft de Inspectie zichzelf de rol van aanklager, rechter én beul aangemeten.
    De indruk bestaat dat de Inspectie zich in deze heeft laten leiden door lobbyactiviteiten, politieke druk en media-aandacht: de onderhavige zaak toont aan hoe belangrijk het is om ook onder invloed van dit soort maatschappelijke krachten de rug recht te houden.
    Voor zover uw raad van oordeel zou zijn dat de Inspectie wel ontvankelijk zou zijn en dat één of meer klachtonderdelen gegrond zouden zijn ben ik van mening dat bij de zwaarte van de op te leggen maatregel ter dege rekening moet worden gehouden met de geschetste omstandigheden en het feit dat Goerdin al buitengewoon zwaar is getroffen door de sluiting van de kliniek en de afgedwongen onthouding van medisch handelen gedurende een zo lange periode, en de enorme negatieve publiciteit, als gevolg waarvan het lot van de CityKliniek in feite bezegeld is.

    _________________________________________

      /   Reply  / 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>