‘Vermoeidheid heeft vele gezichten’

Chronisch moe zijn, is een ramp. In de eerste plaats voor jezelf, maar ook voor de maatschappij. Naar schatting zijn er zo’n half miljoen Nederlanders chronisch vermoeid. Een groot aantal van hen heeft daarnaast een chronische ziekte of is behandeld voor kanker. Maar de ene vermoeidheid is de andere niet, vertelde professor dr. Gijs Bleijenberg deze week tijdens zijn afscheid als hoogleraar bij het UMC St Radboud in Nijmegen.

Bleijenberg gaat nu met pensioen, maar tijdens grootste deel van zijn werkzame leven heeft hij zich bezig gehouden met chronische vermoeidheid en de behandeling ervan.

Hij ontwikkelde in Nederland een vorm van cognitieve gedragstherapie (CGT) die effectief is bij mensen met het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Later bleek dat ook andere mensen met chronische vermoeidheid baat hebben bij vormen van deze therapie.

Samen met zijn medewerkers ontwikkelde hij effectieve vormen van cognitieve gerdragstherapie voor kankergerelateerde vermoeidheid, voor chronische vermoeidheid bij MS-patiënten en bij neuromusculaire ziekten.

Wat Bleijenberg verbaast is, dat er zo weinig geld wordt uitgetrokken voor het landelijk invoeren van deze werkzame therapieën. ‘Er is veel geld besteed aan degelijk onderzoek naar de behandeling van vermoeidheid,’ zegt hij in z’n afscheidsrede, ‘en dat heeft gelukkig goede behandelingen opgeleverd. Deze behandelingen kunnen nu worden uitgevoerd door getrainde gedragstherapeuten, maar voor hun training is nauwelijks geld beschikbaar. Het opleiden van extra gedragstherapeuten zou een prima manier zijn om te bezuinigen: het zou de last van de vermoeidheid verlichten en het beroep op dure voorzieningen verminderen.’

Toch, de ene vermoeidheid is de andere niet. Het Dondersinstituut vond samen met het Nijmeegs Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid, dat mensen met CVS minder grijze stof in hun hersenen hebben dan gezonde mensen.

Na een behandeling met CGT was het volume grijze stof toegenomen. Bij vermoeidheid na kanker daarentegen was er geen afname van grijze stof te zien en bijgevolg evenmin een toename van grijze stof na de behandeling. Dit duidt erop, dat CVS biologisch anders in elkaar zit dan kankergerelateerde vermoeidheid.

Iets dergelijks is te zien bij het gehalte van het hormoon cortisol in het speeksel. Bij CVS is dit gehalte relatief laag en neemt het toe naarmate de cognitieve gedragstherapie beter aanslaat. Bij mensen die kanker hebben gehad is er geen verschil gevonden in cortisolniveau tussen vermoeiden en niet-vermoeiden.

Ook de omstandigheden die voorafgaan aan de vermoeidheid en de factoren die de vermoeidheid in stand houden, verschillen tussen de patiëntengroepen. Bleijenberg pleit er dan ook voor dat de therapie aan elke groep patiënten afzonderlijk worden aangepast.

Bron: UMCN


Lees ook:Cognitieve gedragstherapie effectief tegen vermoeidheid na kanker
Lees ook:Gedragstherapie tegen vermoeidheid na kanker
Lees ook:Voedingssupplement helpt niet tegen vermoeidheid
Lees ook:Sporten verbetert leven kankerpatiënten
Lees ook:Onderzoek naar langdurige moeheid na Q-koorts


Geef een reactie